Moordlustige Nostalgie

Stevo Akkerman bagatelliseert de Nederlandse koloniale machinerie

Foto: Alper Çuğun

“Zolang er overlevenden zijn – neem de weduwen van Rawagede en Sulawesi – hebben excuses en schadeloosstellingen zin, als het gaat om de moordpartijen door Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) is dat anders.”

In het stuk noemt hij de excuses van Willie Brandt voor de Tweede Wereldoorlog in 1971 een daad dat namens het volk gedaan moest worden. Het volk was met z’n allen verantwoordelijk en hij als staatshoofd van dat volk moest de excuses uitten. Maar deze constatering laat je wel achter met de hamvraag: waarom is dat dan anders voor de moordpartijen door Jan Pieterszoon Coen?

Akkerman eindigt zijn opiniestuk door aan te geven dat de Duitsers nog wel heel lang berouw moeten tonen, terwijl er in Nederland al een tijdje wordt geconstateerd dat de mensen die de tweede wereldoorlog hebben meegemaakt aan het uitsterven zijn. Daarom wordt de discussie ook heftig wanneer sommigen aangeven dat het nu ook tijd is om de daders te herdenken. Wanneer de nu nog levende overlevenden van de Tweede Wereldoorlog komen te overlijden zou volgens Akkermans logica het hele 4 en 5 mei gebeuren eigenlijk kunnen stoppen. Het heeft dan geen zin meer om te herdenken en als natie excuses aan te bieden aan de mensen die we hebben verklikt en hebben laten afvoeren naar concentratiekampen hier in Europa of interneringskampen op Bonaire en in Suriname. Akkerman’s betoog slaat nergens op want het is niet anders voor de moordpartijen van Jan Pieterszoon Coen.

Toen in 2002 het slavernijmomument in het Oosterpark in Amsterdam werd onthuld ging dat gepaard met dranghekken en beveiliging. Het was dus duidelijk niet een moment voor de slachtoffers van slavernij maar voor de daders om aan te tonen dat ze veranderd waren. Zoals de witte Zuid-Afrikaanse schrijver JM Coetze in zijn studie over boetedoening en excuses aantoonde, gaat het vaak om de geruststelling van het eigen geweten in plaats van werkelijke verandering van inzichten. De vraag die je dan kan stellen is was het slavernijmonument en de inmiddels wegbezuinigde Nationaal instituut voor Nederlands slavernijverleden en erfenis een tijdelijke geruststelling van het eigen geweten? Nu dit kabinet het anti-diversiteitsbeleid van het vorige kabinet heeft overgenomen is dat een legitieme vraag geworden.

Excuses voor de moordpartijen van Jan Pieterszoon Coen en schadeloosstelling aan de inwoners van Indonesië door alle bedrijven die hebben geprofiteerd van zijn daden – we kijken onder andere naar jullie Douwe Egberts met jullie 1753 – zou betekenen dat de nu nog gekoesterde nostalgische gevoelens voor Nederlands-Indië van medeplichtigen komt. Het was geen leuke of goede tijd in Nederlands-Indie voor de meerderheid van de bevolking en het getuigt van weinig zelfreflectie door het wel nog steeds zo te laten lijken.

De reden waarom men hier in Nederland Jan Pieterszoon Coen liever als een held ziet is omdat teveel mensen, in posities waarin ze veranderingen teweeg kunnen brengen, zelf niet handelen naar de wetenschap van medeplichtigheid. Akkerman stelt dat het om geschiedschrijving gaat wanneer je het over de moordpartijen van Jan Pieterszoon Coen hebt, maar vergeet daarbij voor het gemak dat de Nederlandse koloniale machinerie nu nog steeds mensen een voordeel of een nadeel geeft.  Akkerman hoefde dat niet te bagatelliseren om aandacht voor zijn stuk te trekken als hij gewoonweg een beter stuk had geschreven over staatshoofden die berouw tonen en daar naar handelen.

Comments

comments