Column

Poëzie als protestmiddel en de mythe van de tegencultuur

Foto: David Sasaki

De transcendentalisten (midden 19e-eeuw) pasten een cultuurkritiek toe op hun poëzie en literatuur. Volgens Walt Whitman had de dichter als rol ‘to emphasize directness in response to universal hypocrisy, spirituality in response to arid materialism, interconnectedness in response to social fragmentation, and hearty individualism in response to the levelling effects of mass culture’.1 In samenleving met een enorme klassenverdeeldheid, waarin Christelijke, democratische waarden niet overeenkwamen met het handelen van de natie (annexatie van Texas, slavernij), uitte Whitman zijn onvrede door een verwerping van de traditionele poëzie met haar geconstrueerde rijmschema’s en romantische thema’s.

Olaf van Muijden is een historicus gespecialiseerd in jongerencultuur van de jaren zestig van de vorige eeuw.

Ralph Waldo Emerson, Henry David Thoreau en Whitman’s idee van zelfontplooiing en creativiteit als hoogste goed sprak de bohemiens en links radicale jeugd van de jaren 1950 en 1960 aan. Volgens de invloedrijke socioloog Herbert Marcuse zou technocratie tot een totalitarisme leidde dat slechts de materiële behoeftes vervult en niet de intellectuele. Het Amerika van de jaren zestig kende eveneens veel contradicties: segregatie, een Vietnam-oorlog en een gebrek aan vrijheid om aan eigen morele kwesties (ondermeer op seksueel gebied) zelf invulling te geven.

Mario Savio (Free Speech Movement) eindigt een beroemde toespraak met een verwijzing naar Thoreau’s Civil Disobedience:

‘And that — that brings me to the second mode of civil disobedience. There’s a time when the operation of the machine becomes so odious, makes you so sick at heart that you can’t take part! You can’t even passively take part! And you’ve got to put your bodies upon the gears and upon the wheels, upon the levers, upon all the apparatus — and you’ve got to make it stop! And you’ve got to indicate to the people who run it, to the people who own it — that unless you’re free the machine will be prevented from working at all!!’2

Dichters van de Beat generatie en de Black Arts beweging verwierpen eveneens klassieke stijlen. Gregory Corso’s Bomb (1958) heeft de vorm van een ontploffing en de schrijver hemelt de bom op om vervolgens orale poëzie op papier te smijten. LeRoi Jones (Amiri Baraka) en zwarte tijdgenoten begonnen poëzie te schrijven voor en over Zwarten en experimenteerden met ongewoonlijke vorm, spelling en onorthodoxe toepassing van punctuatie, hoofdletters.

Een misverstand dat de mythe van de tegencultuur heeft gevoed, is dat deze uiting van radicalisme als stereotiep voor deze periode wordt beschouwd. Hiermee gaat men er vanuit dat de scheidslijn tussen dominante cultuur en tegencultuur hard was en onoverbrugbaar. Voor Amerika kan dit enigszins opgaan, maar nimmer voor Nederland. Ten eerste was de beleidsbepalende elite er eveneens van overtuigd dat sociale en culturele verandering noodzakelijk was en zodoende kwam zij de protestbeweging vaak tegemoet, zoals de historicus James Kennedy in Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig (1995) aantoont. Daarnaast heeft Arthur Marwick laten zien dat de jaren zestig zich juist kenmerkten door de opmars van een rits aan subculturen, die allerminst een onsplitsbaar blok tegenover de alledaagse cultuur vormden. De culturele revolutie ontpopte zich allesbehalve door confrontatie, maar door een ondernemingsgezinde interactie tussen tegencultuur en de alledaagse cultuur.3 Tot slot wijzen Axel Schildt en Detlef Siegfried erop dat de tegencultuur niet als eenduidig massief blok beschouwd kan worden. Zij schrijven:

‘[These contradictions] would play a large part in increasing social tensions during these two decades: on the one hand, youth were striving towards individual self-actualization like never before (because consumer society was presenting an unprecedented variety of possibilities towards achieving this goal); on the other hand, the rapid expansion of consumer choices (as routed by the industry) was developing into the guiding principles of mainstream life.’4

De Nederlandse protestcultuur was minder politiek van aard. Provo bijvoorbeeld versmolt de bohème artistieke wereld met een provocatief publiekgericht protestrepertoire. Bij dichters als Simon Vinkenoog en Johnny the Selfkicker is die radicale verwerping voortkomend uit een drastische cultuurkritiek minder zichtbaar. Evenals Whitman kien was op sensualisme toe te passen in zijn poëzie om zodoende de populariteit te vergroten, waren de dichters van eind jaren 1950 en 1960 bewust bezig zich een imago te verschaffen dat aansloot bij een radicaal tijdsbeeld. Wie in de Thoreau’s burgerlijke ongehoorzaamheid een bevestiging zoekt voor een revolutionaire geestdrift vergeet zijn verregaande geloof in zelfredzaamheid. Wie in de tegencultuur een bevestiging zoekt voor een radicale dadendrang vergeet dat deze immer stoelde op de consumptieve samenleving.

1. D.S. Reynolds, Beneath the American Renaissance. The subversive imagination in the age of Emerson and Melville (New York, 1988), 319.

3. A. Marwick, The sixties. Cultural revolution in Britain, France, Italy, and the United States, c.1958-c.1974 (Oxford en New York 1998) 11-18.

4 A. Schildt en D. Siegfried (ed.), Between Marx and Coca-Cola. Youth cultures in changing European societies, 1960-1980 (New York 2006) 2.

 


Comments

comments